GTL-TAXI
Nationale Groepering van Ondernemingen met Taxi- en Locatievoertuigen met chauffeur

Uitvoeringsbesluit Decreet Individueel bezoldigd personenvervoer

Datum publicatie: 2611.2019

 

VLAAMSE OVERHEID

2019-11-08 - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de exploitatievoorwaarden voor het individueel bezoldigd personenvervoer. - B.S. 2019-11-26

DE VLAAMSE REGERING,
Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20, vervangen bij de bijzondere wet van 16 juli 1993;
Gelet op het decreet van 29 maart 2019 betreffende het individueel bezoldigd personenvervoer, artikelen 3, 6, § 3, 7, 8, § 2, 9, § 2, eerste lid, 10, 11, 17, 18, § 1 en § 2, 19, 20, 21, § 2 en § 3, 22, § 2 en § 4, 23, 26, 28, 29, § 1, 31, § 3 tot en met § 5, 32, 34, 35, § 7 en 44;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder;
Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor begroting, gegeven op 24 april 2019;
Gelet op het advies van de Mobiliteitsraad Vlaanderen, gegeven op 24 mei 2019;
Gelet op het advies nr. 2019/17 van de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens, gegeven op 3 juli 2019;
Gelet op advies 66.477/1/V van de Raad van State, gegeven op 3 september 2019, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op voorstel van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken;
Na beraadslaging,

Besluit :

TITEL 1. - Algemene bepalingen

Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:

1° bestelde rit: een rit die minstens vijftien minuten voor het oppikken van de klant besteld is;
2° beveiligde zending: een aangetekende brief, een afgifte tegen ontvangstbewijs of een elektronisch aangetekende zending;
3° bevoegde personeelsleden en agenten: de personen die toezicht houden op de naleving van het decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, vermeld in artikel 34, § 1, van het decreet van 29 maart 2019;
4° collectieve rit: een rit die wordt uitgevoerd met een voertuig voor individueel bezoldigd personenvervoer waarbij de terbeschikkingstelling van het voertuig betrekking heeft op elk van de plaatsen van het voertuig en niet op het voertuig zelf;
5° decreet van 29 maart 2019: het decreet van 29 maart 2019 betreffende het individueel bezoldigd personenvervoer;
6° departement: het Departement Mobiliteit en Openbare Werken, vermeld in artikel 28, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;
7° ecoscore : globale score voor een voertuig om de milieuschade weer te geven die de uitstoot in de lucht veroorzaakt voor de verschillende componenten van de natuurlijke en menselijke omgeving, evenals voor het broeikaseffect en de geluidsoverlast;
8° gemeente: de gemeente waar de vergunning is uitgereikt conform artikel 6, § 2, van het decreet van 29 maart 2019, of de gemeente waar de bestuurderspas is uitgereikt conform artikel 18, § 1, van het voormelde decreet;
9° klant: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de vervoersovereenkomst sluit, al dan niet gelijk aan de vervoerde persoon;
10° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het mobiliteitsbeleid, de openbare werken en het vervoer;
11° schriftelijk: elk uit woorden of cijfers bestaand geheel dat kan worden gelezen, gereproduceerd en vervolgens meegedeeld. Dat geheel kan met elektronische middelen overgebrachte en opgeslagen informatie bevatten;
12° voertuig: elk twee-, drie- of vierwielig motorvoertuig dat naar constructie en uitrusting geschikt is voor het vervoer van ten hoogste negen personen, de bestuurder inbegrepen, met uitzondering van de voertuigen die gebruikmaken van een hulpmotor, waarvan het vermogen niet hoger is dan 0,3 kW;
13° werkdagen: van maandag tot vrijdag, met uitzondering van wettelijke feestdagen;
14° zero-emissievoertuig: een elektrisch voertuig met een batterij of een voertuig dat uitsluitend aangedreven wordt door een elektrische motor die gevoed wordt door een brandstofcel.

Art. 2. De vervoersonkosten, vermeld in artikel 2, 4°, van het decreet van 29 maart 2019, worden vastgesteld op:
1° 0,75 euro per beladen kilometer voor voertuigen die worden ingeschakeld als straattaxi of standplaatstaxi;
2° 30 euro per uur voor voertuigen die worden ingeschakeld voor ceremonieel vervoer.
De bedragen, vermeld in het eerste lid, zijn gekoppeld aan de index van consumptieprijzen van de maand van de inwerkingtreding van dit besluit.
Ze worden automatisch aangepast op 1 januari van elk jaar afhankelijk van de evolutie van de index van consumptieprijzen van de maand november van het voorgaande jaar.

 

TITEL 2. - Diensten voor individueel bezoldigd personenvervoer

HOOFDSTUK 1. - Vergunning

Afdeling 1. – Aanvraag

Art. 3. Het model van het formulier om een vergunning aan te vragen voor de exploitatie van een dienst voor individueel bezoldigd personenvervoer en om een vergunning aan te vragen voor een reservevoertuig is opgenomen in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
Het formulier, vermeld in het eerste lid, wordt ook gebruikt om de volgende aanvragen in te dienen:

1° een aanvraag om het aantal voertuigen waarop een vergunning betrekking heeft, te verhogen of te verminderen;
2° een aanvraag om het aantal reservevoertuigen voor een bestaande exploitatie te verhogen of te verminderen;
3° een aanvraag om een voertuig te vervangen.

De gemeente bevestigt de ontvangst van het formulier, vermeld in het eerste lid, en kan, in voorkomend geval, binnen twintig dagen na de ontvangst de ontbrekende bewijsstukken opeisen en vragen om de onvolledige vermeldingen op dat formulier of de bijlagen aan te vullen.

Art. 4. § 1. De vergunning, vermeld in artikel 3, eerste lid, wordt bij het bevoegde college aangevraagd.
De vergunning wordt uitgereikt binnen vijfenveertig dagen vanaf de dag waarop de aanvraag volledig is. Als het bevoegde college gedurende de voormelde termijn niet zetelt, wordt de termijn verlengd tot maximum zestig dagen. De weigeringsbeslissingen worden aan de aanvrager betekend.

§ 2. Het model van de vergunning voor de exploitatie van een dienst voor individueel bezoldigd personenvervoer is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
In de vergunning wordt er aan elk voertuig een identificatiecode toegekend. Elke identificatiecode kan maar een keer worden toegewezen. De vergunning geeft een opsomming van de gegeven identificatiecodes.

Art. 5. Ieder voertuig krijgt twee vergunningskaarten voor individueel bezoldigd personenvervoer. Het model van de vergunningskaart is opgenomen in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd. De vergunningskaart vermeldt de gegevens van de vergunning en de gegevens van het voertuig.
De vergunningskaarten worden pas uitgereikt als de exploitant alle gegevens die in de vergunningsaanvraag vermeld zijn, geactualiseerd heeft, alsook alle bijbehorende bewijsstukken heeft meegedeeld.

Art. 6. De natuurlijke persoon of rechtspersoon die houder is van de vergunning betaalt voor de vergunning een jaarlijkse gemeenteretributie, overeenkomstig artikel 8, § 1, van het decreet van 29 maart 2019.
Het basisbedrag, vermeld in artikel 8, § 2, van het voormelde decreet, bedraagt:

1° tot 1 januari 2030: 250 euro voor zero-emissievoertuigen;
2° tot 1 januari 2025: 250 euro voor voertuigen met een ecoscore van minstens 74 voor voertuigen met vijf zitplaatsen, van minstens 71 voor voertuigen met meer dan vijf zitplaatsen en van minstens 61 voor voertuigen met meer dan vijf zitplaatsen die voldoen aan de definitie van een minibus, vermeld in artikel 1, § 2, 48, van het voormelde koninklijk besluit
3° 350 euro voor alle andere voertuigen.

Art. 7. Met een beveiligde zending brengt de exploitant de administratieve diensten van de gemeente binnen de volgende termijnen op de hoogte van de volgende elementen:

1° een wijziging van het adres van de woonplaats, rechtsvorm, exploitatiezetel of maatschappelijke zetel: binnen tien dagen na de dag van de wijziging;
2° een in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke veroordeling ten opzichte van de exploitant als vermeld in artikel 10, § 1: binnen tien dagen na de dag waarop het vonnis is uitgesproken. De exploitant bezorgt in dat geval een kopie van de uitspraak;
3° de verjaring, verstrijking of opschorting van de verzekeringspolis van een of meer voertuigen: binnen 24 uur na de dag waarop die polis verjaart, verstrijkt of wordt opgeschort. De groene verzekeringskaart en het laatste keuringsbewijs gelden daarvoor als bewijzen;
4° een uitspraak van het gerecht over de faillietverklaring of het verslag van een uitgesproken faillissement: binnen tien dagen na de dag van de uitspraak of het verslag. De exploitant bezorgt in dat geval een kopie.

Elke exploitant bezorgt de administratieve diensten van de gemeente jaarlijks, binnen drie maanden na de verjaardag van de uitreiking van zijn vergunning, uit eigen beweging en met een beveiligde zending, een uittreksel uit het strafregister als vermeld in artikel 596, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, van minder dan drie maanden oud, waarin vermeld staat dat hij nog altijd voldoet aan de voorwaarden over de zedelijkheid, vermeld in artikel 10, § 1, van dit besluit. Als de exploitatie gebeurt door een rechtspersoon, wordt er een uittreksel bezorgd van de zaakvoerders of de bestuurders die belast zijn met het dagelijks beheer en een uittreksel uit het centraal strafregister op naam van de rechtspersoon.

Art. 8. Tijdens een rit die op het grondgebied van het Vlaamse Gewest wordt uitgevoerd door een taxidienst of een dienst voor het verhuren van een voertuig met een bestuurder die in een ander gewest is vergund, mogen geen personen instappen op het grondgebied van het Vlaamse Gewest, tenzij de rit besteld is.

Afdeling 2. - Voorwaarden

Art. 9. § 1. Een kandidaat mag het beroep van exploitant van diensten voor individueel bezoldigd personenvervoer uitoefenen, als hij voldoet aan de voorwaarden over de zedelijkheid, de beroepsbekwaamheid en de solvabiliteit, vermeld in artikel 10 tot en met 12.

§ 2. De documenten die gelden als stukken om de zedelijkheid, de beroepsbekwaamheid en de solvabiliteit te bewijzen, worden bij de vergunningsaanvraag gevoegd.
De lijst met de documenten, vermeld in het eerste lid, is opgenomen in het model van het formulier dat als bijlage 1 bij dit besluit is gevoegd.

Art. 10. § 1. Een exploitant bewijst dat hij van goed zedelijk gedrag is als hij in België of het buitenland geen van de volgende in kracht van gewijsde gegane veroordelingen heeft opgelopen:

1° een criminele straf, al dan niet met uitstel;
2° een veroordeling sinds minder dan vijf jaar voor een van de overtredingen, vermeld in boek 2, titel III, hoofdstukken I tot V, en titel IX, hoofdstuk I en II van het Strafwetboek.
Er wordt geen rekening gehouden met de uitgewiste veroordelingen of de veroordelingen waarvoor de betrokkene eerherstel heeft gekregen.

§ 2. Als een veroordeling door een buitenlandse gerechtsinstantie uitgesproken is, wordt rekening gehouden met elke veroordeling die betrekking heeft op een feit dat volgens het Belgisch recht kan leiden tot een van de veroordelingen, vermeld in paragraaf 1.

Art. 11. Een exploitant is beroepsbekwaam als hij aan al de volgende voorwaarden voldoet:

1° hij neemt de activiteit individueel bezoldigd personenvervoer op als activiteitencode in de Kruispuntbank voor Ondernemingen en in voorkomend geval in de statuten;
2° hij beschikt over een minimale kennis van het Nederlands:

a) op het niveau B1 van het Europees Referentiekader voor Talen of;
b) op het niveau A2 van het Europees referentiekader voor Talen en hij bewijst binnen twee jaar na het bekomen van de vergunning dat hij over het niveau B1 beschikt.
Als de exploitant een rechtspersoon is, wordt de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2°, vervuld door de zaakvoerders of de bestuurders die met het dagelijks beheer belast zijn.

Art. 12. Een exploitant is solvabel als hij aan al de volgende voorwaarden voldoet:
1° hij is eigenaar van de voertuigen die hij exploiteert, heeft er de beschikking over door een contract van aankoop op afbetaling, of heeft een contract van huurfinanciering of van huurkoop;
2° hij is in orde met de betaling van:

a) taksen of belastingen die verbonden zijn aan de exploitatie van een dienst voor individueel bezoldigd personenvervoer;
b) sociale bijdragen of lonen.

Afdeling 3. - Reserve- en vervangingsvoertuigen

Art. 13. Het aantal reservevoertuigen is beperkt tot één voertuig voor elke begonnen schijf van tien toegelaten voertuigen.
De reservevoertuigen krijgen een reservekaart, waarvan het model is opgenomen in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd. De reservekaart vermeldt de gegevens van de vergunning en de gegevens van het voertuig.

Art. 14. § 1. De exploitant kan aan de gemeente een toelating vragen om een vervangingsvoertuig als vermeld in artikel 22, § 4, van het decreet van 29 maart 2019, in te zetten, op voorwaarde dat hij de bewijsstukken in kwestie aan de gemeente heeft bezorgd en het voertuig is geregistreerd in de gegevensbank, vermeld in artikel 54 van dit besluit.
De toelating kan alleen voor ten hoogste drie maanden worden verleend en is niet hernieuwbaar. Na afloop van die termijn levert de exploitant binnen twee werkdagen de vervangingskaart bij de gemeente in.
De beslissing over de toelating wordt genomen door de administratieve diensten van de gemeente.
De administratieve dienst van de gemeente reikt de vervangingskaart uit binnen twee werkdagen vanaf het moment dat de aanvraag volledig is.

§ 2. Het model van de vervangingskaart is opgenomen in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 15. Op het ogenblik dat de reservevoertuigen, respectievelijk vervangingsvoertuigen, ingezet worden, zijn ze als voertuig voor individueel bezoldigd personenvervoer verzekerd.
Afdeling 4. - Stopzetting

Art. 16. Als de dienst voor individueel bezoldigd personenvervoer definitief wordt beëindigd, brengt de exploitant de gemeente daarvan onmiddellijk op de hoogte en levert hij op de eerste werkdag na de dag van de stopzetting de vergunning, de vergunnings-, de reserve- en de vervangingskaarten in bij de gemeente.
De datum van de effectieve stopzetting is de datum waarop de exploitant de vergunning, de vergunnings-, de reserve- en de vervangingskaarten ingeleverd heeft bij de gemeente. De exploitant krijgt een ontvangstbewijs van die inlevering.

Afdeling 5. - Schorsing, intrekking en beroep

Art. 17. Het college van de gemeente kan de vergunning voor het exploiteren van een dienst voor individueel bezoldigd personenvervoer voor een bepaalde tijd bij beslissing schorsen of intrekken als de exploitant:
1° onjuiste inlichtingen heeft verstrekt over gegevens die noodzakelijk zijn voor de afgifte van de vergunning;
2° de elementen, vermeld in artikel 7, eerste lid, niet binnen de vooropgestelde termijn meedeelt aan de gemeente;
3° het uittreksel, vermeld in artikel 7, tweede lid, niet uit eigen beweging bezorgt;
4° niet meer voldoet aan een van de voorwaarden die vereist zijn om de bestaande vergunning uit te reiken;
5° de vergunnings- of exploitatievoorwaarden niet naleeft;
6° twee jaar na afgifte van de vergunning niet over het taalniveau B1, vermeld in artikel 11, 2°, beschikt;
7° niet voldoet aan de fiscale en sociale verplichtingen;
8° de gegevens van de apparatuur en voorzieningen ter registratie van ritten, tarieven en arbeids- en rusttijden wijzigt;
9° de gegevens over de dienst voor individueel bezoldigd personenvervoer die bij een controle worden gevraagd, niet voorlegt;
10° bestuurders aanwerft of laat rijden die niet voldoen aan de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 2;
11° instructie geeft aan de bestuurder tot een gedraging als vermeld in artikel 27, 5°, 6°, 7°, 8°, 9°, 12° en 13°, of dergelijke gedragingen wetens en willens gedoogt;
12° misbruik maakt van een vergunning.

Art. 18. § 1. Voordat er beslist wordt om de vergunning te schorsen of in te trekken, wordt de exploitant gehoord.
De beslissing wordt betekend aan de exploitant. De beslissing vermeldt de wijze waarop beroep kan worden aangetekend.
Het beroep schort de beslissing van de gemeente tot schorsing of intrekking van de vergunning niet op.

§ 2. Het beroep tegen een beslissing om de vergunning te weigeren of tegen de beslissingen over de intrekking of schorsing wordt met een beveiligde zending bij het departement ingediend binnen vijftien dagen na de betekening van de weigeringsbeslissing of binnen vijftien dagen na de datum waarop de termijn van drie maanden verstrijkt die op de indiening van de aanvraag volgt.

§ 3. De intrekking, de schorsing of het beroep wordt onmiddellijk door de gemeente geregistreerd in de gegevensbank, vermeld in artikel 54.

HOOFDSTUK 2. - Bestuurderspas

Afdeling 1. - Aanvraag

Art. 19. Het model van het formulier om een bestuurderspas aan te vragen, is opgenomen in bijlage 6, die bij dit besluit is gevoegd.
De gemeente bevestigt de ontvangst van de aanvraag en kan, in voorkomend geval, binnen twintig dagen na de ontvangst de ontbrekende bewijsstukken opeisen en vragen om de onvolledige vermeldingen op dat formulier of de bijlagen te laten aanvullen.

Art. 20. De bestuurderspas, waarvan het model is vastgesteld in bijlage 7, wordt uitgereikt binnen twintig dagen vanaf de dag waarop de aanvraag volledig is. De weigeringsbeslissingen worden aan de aanvrager betekend.
Conform artikel 17 van het decreet van 29 maart 2019 betaalt de aanvrager een retributie van 20 euro voordat de bestuurderspas wordt uitgereikt. Deze retributie wordt op 1 januari van elk jaar aangepast volgens de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen. Deze aanpassing gebeurt door middel van de coëfficiënt die wordt bekomen door het indexcijfer van de maand december van het jaar voorafgaand aan het belastingjaar te delen door het indexcijfer van de maand december van het jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit.

Art. 21. Elke bestuurder die diensten van individueel bezoldigd personenvervoer aanbiedt of uitvoert, heeft op elk moment zijn bestuurderspas bij zich.

Art. 22. De bestuurderspas vervalt als hij niet is afgehaald binnen drie maanden die volgen op de laatste dag van de uitreikingstermijn van twintig dagen, vermeld in artikel 20.

Art. 23. Met een beveiligde zending brengt de bestuurder de gemeente binnen de volgende termijnen op de hoogte van de volgende zaken:
1° een wijziging van het adres van de woonplaats: binnen tien dagen na de dag van de wijziging. Bij een adreswijziging binnen de gemeente, blijft de bestuurderspas geldig;
2° een in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke veroordeling ten opzichte van de bestuurder, vermeld in artikel 25, § 1: binnen tien dagen na de dag waarop het vonnis is uitgesproken. De bestuurder bezorgt in dat geval een kopie van de uitspraak;
3° het intrekken van een rijbewijs met geldige medische keuring of van de toelating tot het verrichten van arbeidsprestaties in België: binnen 24 uur na die intrekking.
Elke bestuurder bezorgt de administratieve diensten van de gemeente jaarlijks, binnen drie maanden na de verjaardag van de uitreiking van zijn bestuurderspas, uit eigen beweging en met een beveiligde zending een uittreksel uit het strafregister als vermeld in artikel 596, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat minder dan drie maanden oud is, waarin vermeld staat dat hij nog altijd voldoet aan de voorwaarden over de zedelijkheid, vermeld in artikel 25, § 1, van dit besluit.

Afdeling 2. - Voorwaarden

Art. 24. § 1. De kandidaat kan het beroep van bestuurder van een voertuig bestemd voor individueel bezoldigd personenvervoer uitoefenen als hij voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° hij beschikt minstens twee jaar over een rijbewijs;
2° hij woont in België of beschikt over een gekozen woonplaats waar hem elke oproeping of officiële betekening geldig kan worden gedaan;
3° hij voldoet aan de voorwaarden over de zedelijkheid en beroepsbekwaamheid, vermeld in artikel 25 en 26.

§ 2. De documenten die gelden als stukken om de zedelijkheid en de beroepsbekwaamheid te bewijzen, worden bij de aanvraag van de bestuurderspas gevoegd.
De lijst met de documenten, vermeld in het eerste lid, is opgenomen in het model van het aanvraagformulier voor een bestuurderspas, dat opgenomen is in bijlage 6, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 25. § 1. Een bestuurder bewijst dat hij van goed zedelijk gedrag is als hij in België of het buitenland geen van de volgende in kracht van gewijsde gegane veroordelingen heeft opgelopen:
1° een criminele straf, al dan niet met uitstel;
2° een correctionele gevangenisstraf, in hoofdzaak, van meer dan zes maanden, al dan niet met uitstel, gedurende de laatste tien jaar;
3° een correctionele gevangenisstraf, in hoofdzaak, van drie tot zes maanden, al dan niet met uitstel, gedurende de laatste vijf jaar;
4° correctionele veroordelingen of politieveroordelingen die, bij elkaar opgeteld, meer dan drie maanden gevangenisstraf in hoofdzaak bedragen, met of zonder uitstel, gedurende de laatste drie jaar;
5° meer dan vijf veroordelingen, al dan niet met uitstel, voor overtredingen van het verkeersreglement van de tweede graad;
6° meer dan drie veroordelingen, al dan niet met uitstel, voor overtredingen van het verkeersreglement van de derde of vierde graad;
7° meer dan één veroordeling, al dan niet met uitstel, voor het besturen met alcoholintoxicatie, onder invloed, in staat van dronkenschap of onder invloed van andere stoffen die de rijvaardigheid beïnvloeden.

Er wordt geen rekening gehouden met de uitgewiste veroordelingen of de veroordelingen waarvoor de betrokkene eerherstel heeft gekregen.

§ 2. Als een veroordeling door een buitenlandse gerechtsinstantie is uitgesproken, wordt rekening gehouden met elke veroordeling die betrekking heeft op een feit dat volgens het Belgisch kan leiden tot een van de veroordelingen, vermeld in paragraaf 1.

Art. 26. Een bestuurder is bekwaam als hij aan al de volgende voorwaarden voldoet:

1° hij beschikt over een rijbewijs en geldige medische keuring voor bezoldigd personenvervoer;

2° hij heeft de toelating om arbeidsprestaties te verrichten in België als de bestuurder een buitenlandse staatsburger is;

3° hij beschikt over een minimale kennis van het Nederlands:

a) op het niveau B1 van het Europees Referentiekader voor Talen of;
b) op het niveau A2 van het Europees referentiekader voor Talen en hij bewijst binnen twee jaar na het bekomen van de bestuurderspas dat hij over het niveau B1 beschikt;

4° hij beschikt over de vereiste kennis over het vervoer van personen met beperkte mobiliteit, als hij ritten uitvoert met voertuigen die aangepast zijn aan het vervoer van personen in een rolstoel.

Afdeling 3. - Schorsing, intrekking en beroep

Art. 27. Het college van de gemeente kan de bestuurderspas voor een bepaalde tijd bij beslissing schorsen of intrekken als de bestuurder:
1° onjuiste inlichtingen heeft verstrekt over gegevens die noodzakelijk zijn voor de afgifte van de bestuurderspas;
2° de gegevens, vermeld in artikel 23, eerste lid, niet binnen de vooropgestelde termijn meedeelt aan de gemeente;
3° het uittreksel, vermeld in artikel 23, tweede lid, niet uit eigen beweging bezorgt;
4° niet meer voldoet aan een van de voorwaarden die vereist zijn om de bestaande bestuurderspas uit te reiken;
5° twee jaar na afgifte van de bestuurderspas niet over taalniveau B1, vermeld in artikel 26, 3°, beschikt;
6° de gegevens van de apparatuur en voorzieningen ter registratie van ritten, tarieven en arbeids- en rusttijden wist of wijzigt;
7° de apparatuur niet gebruikt;
8° een ander tarief vraagt dan het tarief dat aan de klant kenbaar is gemaakt met de tarievenkaart, vermeld in artikel 31, § 2, eerste lid;
9° een andere prijs vraagt dan de prijs die is berekend volgens de tariefstructuur, vermeld in artikel 31, § 2, tweede lid;
10° de documenten die betrekking hebben op de dienst voor individueel bezoldigd personenvervoer, die bij een controle worden gevraagd niet voorlegt;
11° overlast veroorzaakt;
12° stationeert op plaatsen waar dat niet mag;
13° met een niet-vergund voertuig rijdt.

Art. 28. § 1. Voordat beslist wordt om de bestuurderspas te schorsen of in te trekken, wordt de bestuurder gehoord.
Voor de feiten, vermeld in artikel 27, 5°, 6°, 7°, 8°, 9°, 12° en 13° wordt de beslissing aan de bestuurder en de exploitant betekend. In de overige gevallen wordt de beslissing alleen aan de bestuurder betekend. De beslissing vermeldt de wijze waarop beroep kan worden aangetekend.
Het beroep schort de beslissing van de gemeente tot schorsing of intrekking van de bestuurderspas niet op.

§ 2. Het beroep tegen een beslissing om de bestuurderspas te weigeren of tegen beslissingen om de bestuurderspas in te trekken of te schorsen, wordt met een beveiligde zending bij het departement ingediend binnen vijftien dagen na de betekening van de weigeringsbeslissing of binnen vijftien dagen na de datum waarop de termijn van drie maanden verstrijkt die op de indiening van de aanvraag volgt.

§ 3. De intrekking of de schorsing wordt onmiddellijk door de gemeente geregistreerd in de gegevensbank, vermeld in artikel 54.
De bestuurder van wie de bestuurderspas ingetrokken is, kan de eerste twee jaar die volgen op de intrekking geen nieuwe bestuurderspas aanvragen.

HOOFDSTUK 3. - Exploitatie

Afdeling 1. - Straattaxi

Onderafdeling 1. - Het voertuig

Art. 29. De carrosserie en de cabine van de voertuigen bevinden zich in goede staat. Ze bieden de nodige kwaliteit, comfort en netheid.
De voertuigen die aan de volgende voorwaarden voldoen, voldoen aan de verplichtingen, vermeld in het eerste lid:

1° de deuren, de koffer en de ramen van de deuren kunnen probleemloos open en dicht;
2° de zetels en de koffer zijn altijd in een nette staat;
3° het voertuig vertoont geen sporen van een ongeval.

Het voertuig voldoet aan de volgende emissienorm:

1° met ingang 1 januari 2020: als het voertuig is ingeschreven bij de Dienst Immatriculatie van Voertuigen van de federale overheidsdienst Mobiliteit na 1 januari 2020: een minimale ecoscore van 71 voor voertuigen met vijf zitplaatsen, van 66 voor voertuigen met meer dan vijf zitplaatsen en van 56 voor voertuigen met meer dan vijf zitplaatsen die voldoen aan de definitie van een minibus, vermeld in artikel 1, § 2, 48, van het voormelde koninklijk besluit;

2° met ingang 1 januari 2025:

a) als het voertuig is ingeschreven bij de Dienst Immatriculatie van Voertuigen van de federale overheidsdienst Mobiliteit voor 1 januari 2025: een minimale ecoscore van 71 voor voertuigen met vijf zitplaatsen, van 66 voor voertuigen met meer dan vijf zitplaatsen en van 56 voor voertuigen met meer dan vijf zitplaatsen die voldoen aan de definitie van een minibus, vermeld in artikel 1, § 2, 48, van het voormelde koninklijk besluit;
b) als het voertuig is ingeschreven bij de Dienst Immatriculatie van Voertuigen van de federale overheidsdienst Mobiliteit na 1 januari 2025: een minimale ecoscore van 74 voor voertuigen met vijf zitplaatsen, van 71 voor voertuigen met meer dan vijf zitplaatsen en van 61 voor voertuigen met meer dan vijf zitplaatsen die voldoen aan de definitie van een minibus, vermeld in artikel 1, § 2, 48, van het voormelde koninklijk besluit;

3° met ingang 1 januari 2030:

a) als het voertuig is ingeschreven bij de Dienst Immatriculatie van Voertuigen van de federale overheidsdienst Mobiliteit voor 1 januari 2030: een minimale ecoscore van 74 voor voertuigen met vijf zitplaatsen, van 71 voor voertuigen met meer dan vijf zitplaatsen en van 61 voor voertuigen met meer dan vijf zitplaatsen die voldoen aan de definitie van een minibus, vermeld in artikel 1, § 2, 48, van het voormelde koninklijk besluit;
b) als het voertuig is ingeschreven bij de Dienst Immatriculatie van Voertuigen van de federale overheidsdienst Mobiliteit na 1 januari 2030: zero-emissie voor alle voertuigen.
Behalve als er een prijsafspraak is, zijn de gegevens over de prijs altijd zichtbaar voor de vervoerde persoon in het voertuig, met verlichting als dat nodig is.

Art. 30. § 1. Elk voertuig, met uitzondering van de voertuigen die niet zijn ingeschreven bij de Dienst Immatriculatie van Voertuigen van de federale overheidsdienst Mobiliteit en met uitzondering van de vervangingsvoertuigen, is uitgerust met een speciale nummerplaat als vermeld in artikel 4, § 4, van het ministerieel besluit van 23 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen.

§ 2. Elk voertuig in dienst heeft twee geplastificeerde vergunningskaarten voor individueel bezoldigd personenvervoer aan boord.
Eén kaart wordt op de rugleuning van de voorste passagiersstoel bevestigd. Als het voertuig maar over twee deuren beschikt, wordt die kaart op het dashboard bevestigd. De gegevens van die kaart zijn leesbaar voor de vervoerde persoon.
De tweede kaart wordt bevestigd aan de achterruit, rechts onderaan, tenzij het voertuig beschikt over een tarievenkaart als vermeld in artikel 31, § 2, eerste lid. De gegevens van die kaart zijn van buiten uit leesbaar voor derden.

§ 3. Op het ogenblik dat de reservevoertuigen, respectievelijk vervangingsvoertuigen, ingezet worden, wordt één geplastificeerde reservekaart, respectievelijk één geplastificeerde vervangingskaart, bevestigd naast de vergunningskaart of de tarievenkaart.

§ 4. Bij verlies, diefstal of vernietiging van de vergunnings-, reserve- of vervangingskaart, wordt op vertoon van een attest van de politie een nieuwe kaart met de vermelding "duplicaat" uitgereikt door de gemeente.

§ 5. In afwijking van paragraaf 2 tot en met 4 kan de minister de reglementering vaststellen voor de herkenbaarheid van voertuigen met twee of drie wielen.

Onderafdeling 2. - De dienst en de ritten

Art. 31. § 1. De tariefstructuur wordt voor het begin van de rit, of bij een bestelde rit voor het begin van de bestelling, op een transparante manier kenbaar gemaakt aan de kandidaat-klant.
De tariefstructuur bestaat uit één of meer componenten, waaronder:

1° de startprijs;
2° de wachtprijs per minuut;
3° de prijs per kilometer;
4° de prijs per minuut;
5° het gecombineerd tarief;
6° het forfaitair tarief voor een welbepaalde rit;
7° het minimum- en maximumtarief voor een welbepaalde rit.
Minstens alle gebruikte componenten worden vermeld.

§ 2. De tariefstructuur is op fysieke wijze zichtbaar in het voertuig, op een tarievenkaart, waarvan het model is vastgelegd in bijlage 8, die wordt bevestigd op achterste zijruit aan de rechterkant.
Bij een bestelde rit kan de tariefstructuur, in afwijking van het eerste lid, langs telefonische of elektronische weg kenbaar worden gemaakt aan de klant. Bij de bestelling krijgt de klant daarvan een schriftelijke bevestiging. In dat geval wordt de tarievenkaart vervangen door de vergunningskaart, vermeld in artikel 30, § 2, eerste lid.

§ 3. Er wordt een prijsindicatie van het eindbedrag meegedeeld aan de klant voor het begin van de rit, en bij een bestelde rit voor het begin van de bestelling.

Art. 32. § 1. In elk voertuig dat in dienst is, is apparatuur aanwezig waarmee de gegevens, vermeld in artikel 33 en 34, beveiligd kunnen worden geregistreerd, opgeslagen en geraadpleegd.

§ 2. De gegevens die verwerkt worden door de tussenpersonen, worden beveiligd geregistreerd, opgeslagen en geraadpleegd.

§ 3. In paragraaf 1 en 2 wordt verstaan onder beveiligd: de integriteit, de onveranderlijkheid, de oorsprong en het niet-weerlegbare karakter van de gegevens is gewaarborgd aan de hand van een betrouwbaar controlespoor tussen het vervoerbewijs en de levering van de dienst.
De gegevens, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden op een externe locatie opgeslagen, waar bevoegde overheidsdiensten er toegang toe hebben.
De minister bepaalt de wijze waarop de gegevens worden beveiligd en bewaard en kan aanvullende bepalingen opleggen.

§ 4. De verzamelde gegevens worden ook gebruikt om te analyseren hoe de prijzen zich ontwikkelen. Als er een marktverstoring optreedt, kan de minister minimum- en maximumtarieven bepalen.

Art. 33. De dienststaat bevat al de volgende gegevens:

1° bij het begin van de dienst:

a) de naam of benaming van de exploitant, zijn adres, e-mailadres en telefoonnummer;
b) de datum;
c) de identificatiecode van het voertuig of het immatriculatienummer in geval van een reserve- of vervangingsvoertuig;
d) de nummerplaat van het voertuig;
e) de naam en de voornaam van de bestuurder;
f) het uur waarop de dienst van de bestuurder begint;
g) de kilometerstand van het voertuig bij het begin van de dienst en de locatie van het voertuig als de dienstverlening wordt uitgevoerd op basis van andere apparatuur dan een taximeter;
h) de getotaliseerde waarden, vermeld in bijlage 9 bij het koninklijk besluit van 15 april 2016 betreffende de meetinstrumenten als de dienstverlening wordt uitgevoerd op basis van een Europees gehomologeerde taximeter;

2° tijdens de dienst:

a) de uren van de effectief genomen rustpauze;
b) het aantal uitgevoerde ritten sinds het begin van de dienst, de eindprijs per rit, de kilometerstanden van het voertuig bij het begin en bij het einde van elke uitgevoerde rit, het aantal opnemingen, de totale afgelegde afstand, de afgelegde beladen afstand;

3° aan het einde van de dienst:

a) de datum en het uur van de effectieve beëindiging van de dienst;
b) het aantal uitgevoerde ritten, de prijsafspraak en de eindprijs per rit, de kilometerstanden van het voertuig bij het begin en bij het einde van elke uitgevoerde rit en bij het begin en bij het einde van de dienst, de locatie van het voertuig, het aantal opnemingen, de totale afgelegde afstand, de afgelegde beladen afstand.

De bestuurder kan een exemplaar van de dienststaat voor zichzelf genereren.
De apparatuur in het voertuig biedt de mogelijkheid om de gegevens, vermeld in het eerste lid, ter inzage voor te leggen. Die gegevens worden in een leesbare en verstaanbare vorm voorgelegd en zijn identiek aan de oorspronkelijke gegevens.
De verplichtingen, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, gelden ook als de gegevens zich digitaal in België of in het buitenland bevinden.

Art. 34. § 1. Aan het einde van de rit wordt aan de vervoerde persoon, of in voorkomend geval aan de klant als die niet de vervoerde persoon is, een vervoerbewijs gegeven, zonder dat die erom verzoekt, waarop minstens de volgende onuitwisbare vermeldingen staan:

1° de vermelding "vervoerbewijs";
2° de naam of de benaming van de exploitant, zijn adres, e-mailadres en telefoonnummer;
3° de identificatiecode van het voertuig of het immatriculatienummer in geval van een reserve- of vervangingsvoertuig;
4° de nummerplaat van het voertuig;
5° de naam van de bestuurder;
6° het volgnummer van de rit, dat een oplopend getal is;
7° de datum en het uur van het in- en uitstappen;
8° de instap- en uitstapplaatsen of, als er geen straatnamen bestaan, de gps-coördinaten en het gps-formaat;
9° het aantal afgelegde kilometers;
10° het toegepaste tarief;
11° de totale prijs van de rit of de prijs per persoon in geval van een collectieve rit, voorafgegaan door de vermelding "te betalen bedrag";
12° de vermelding "klachten", in voorkomend geval de tussenpersoon en de contactgegevens van de vergunningverlenende gemeente, in voorkomend geval de machtigingverlenende gemeente, en het klachtenorgaan.
In geval van een collectieve rit worden de vermeldingen verstrekt per vervoerde persoon, of per klant als de klant niet de vervoerde persoon is.
In geen geval mag een handgeschreven vervoerbewijs worden gegeven.

§ 2. Extra kosten die verbonden zijn aan het individueel bezoldigd personenvervoer, zoals parkeerkosten of wegentol, kunnen aan de klant worden doorgerekend, op voorwaarde dat het bewijs van die kosten aan de klant wordt geleverd.

Art. 35. § 1. Op elk verzoek van de bevoegde personeelsleden en agenten kan de bestuurder de beveiligde gegevens, vermeld in artikel 33 en 34, voorleggen.

§ 2. De exploitant en de tussenpersoon bewaren gedurende zeven jaar de beveiligde gegevens, vermeld in artikel 33 en 34.
De gegevens worden voorgelegd op elk verzoek van de bevoegde personeelsleden en agenten.

Onderafdeling 3. - De dienstverlening tegenover de klanten en de vervoerde personen

Art. 36. Behalve op andersluidend verzoek van de klant of van de vervoerde persoon brengt de bestuurder de vervoerde persoon langs de snelste route naar zijn bestemming.
In afwijking van het eerste lid kiest de bestuurder die een collectieve rit uitvoert, zelf welke de meest geschikte en snelste route is.

Art. 37. Het voertuig mag zich niet parkeren, stationeren of heen en weer rijden op minder dan tweehonderd meter loopafstand van een standplaats voorbehouden voor standplaatstaxi's, tenzij de rit is besteld.
Het voertuig mag zich niet bevinden op minder dan tweehonderd meter loopafstand van het grondgebied van Luchthaven Brussel-Nationaal, tenzij de rit is besteld.

Art. 38. De persoon die wil gebruikmaken van een dienst voor individueel bezoldigd personenvervoer, heeft het recht om opgepikt te worden door een bestuurder in dienst, zodra die vrij is of bij een collectieve rit als er nog een lege plaats is, tenzij het voertuig niet beschikbaar is wegens een bestelde rit of tenzij de rit de diensttijd overschrijdt.

De bestuurder mag:

1° weigeren iemand mee te nemen die naar een verre of afgelegen plaats wil worden gebracht, tenzij zijn identiteit kan worden vastgesteld, zo nodig door interventie van de politie;
2° een voorschot eisen voor ritten van meer dan 50 km of van minstens 100 euro;
3° klanten of vervoerde personen weigeren die de openbare orde verstoren, de veiligheid in gevaar brengen, de goede zeden in het gedrang brengen en die het voertuig niet respecteren.

Art. 39. Het is de bestuurder verboden:

1° de dienst uit te voeren in het gezelschap van andere personen dan de vervoerde personen, behalve als het om een kandidaat-bestuurder gaat die zijn stage doet;
2° het voertuig tijdens de dienst te laten besturen door derden;
3° te roken of vervoerde personen te laten roken in het voertuig;
4° ritten te weigeren, met behoud van de toepassing van artikel 38, tweede lid;
5° overlastsituaties te creëren.

Art. 40. De bestuurder geeft uiterlijk binnen twee dagen bij de politie voorwerpen af die in zijn voertuig zijn gevonden.

Art. 41. § 1. Als er zich tijdens de rit een storing voordoet in de werking van de apparatuur, brengt de bestuurder de vervoerde persoon en de klant daarvan onmiddellijk op de hoogte en wordt het bedrag van de rit in overleg tussen de bestuurder en de klant vastgesteld. Nadat de vervoerde persoon naar de bestemming is gebracht, stopt de bestuurder de dienst voor individueel bezoldigd personenvervoer met dat voertuig.

§ 2. Als er zich tijdens de rit een defect voordoet aan het voertuig of het raakt betrokken bij een ongeval, heeft de vervoerde persoon het recht om het voertuig te verlaten na het bedrag te betalen dat door de apparatuur, vermeld in artikel 32, § 1, wordt aangegeven voor de kilometers die al afgelegd zijn.
De bestuurder zorgt ervoor dat de vervoerde persoon zijn rit kan voortzetten met een ander voertuig. In geen geval mogen de kosten van het oponthoud aan de klant aangerekend worden.

§ 3. In afwijking van artikel 34, § 1, derde lid, geeft de bestuurder een handgeschreven vervoerbewijs met al de gegevens, vermeld in artikel 34, § 1, eerste lid, als het vervoerbewijs niet op een andere manier kan worden bezorgd. De bestuurder mag daarna geen personen meer vervoeren met dat voertuig zolang de voormelde onmogelijkheid aanwezig is.

Afdeling 2. - Standplaatstaxi's

Onderafdeling 1. - Het voertuig

Art. 42. Het voertuig beschikt over een meetinstrument als vermeld in bijlage 9 bij het koninklijk besluit van 15 april 2016 betreffende meetinstrumenten, waarmee de gegevens, vermeld in artikel 33 en 34 van dit besluit, beveiligd kunnen worden geregistreerd, opgeslagen en geraadpleegd.
Artikel 29 en 30 zijn van toepassing op standplaatstaxi's.

Art. 43. Alle voertuigen die ingezet worden als standplaatstaxi beschikken over een taxilicht op het dak van het voertuig. Het taxilicht vermeldt in het middengedeelte het woord "TAXI" op de voor- en achterkant van de lichtinstallatie. De minister kan de uiterlijke kenmerken van het taxilicht vaststellen.
Als het voertuig vrij is, brandt het taxilicht. In alle andere gevallen brandt het taxilicht niet.

Onderafdeling 2. - De dienst en de ritten

Art. 44. Artikel 31, § 2, eerste lid, 32 tot en met 35 zijn van toepassing op standplaatstaxi's.
Onderafdeling 3. - De dienstverlening tegenover de klanten en de vervoerde personen

Art. 45. § 1. Artikel 36 en artikel 38 tot en met 41 zijn van toepassing op standplaatstaxi's.
Naast de verbodsbepalingen, vermeld in artikel 39, is het de bestuurders van standplaatstaxi's verboden om:

1° op hun toegelaten standplaats de motor van het voertuig te laten draaien;
2° zonder reden hun voertuig op de standplaatsen te verplaatsen en om daar een overtal te creëren of buiten de vastgelegde limieten te stationeren.
§ 2. Als alle standplaatsen bezet zijn, wordt het voertuig naar een andere standplaats gereden, waar wel een plaats vrij is.
§ 3. Het voertuig mag alleen de toegelaten standplaatsen bezetten als het in dienst is. De bestuurder kan op elk moment het voertuig verplaatsen om aan te schuiven in de rij of op verzoek van een bevoegde ambtenaar of agent.

Afdeling 3. - Ceremonieel vervoer

Onderafdeling 1. - Het voertuig

Art. 46. Artikel 29 en 30 zijn van toepassing op ceremonieel vervoer.
De minister of zijn gemachtigde kan, in afwijking van artikel 29, derde lid, uitzonderingen bepalen voor voertuigen die uitsluitend ingezet worden voor ceremonieel vervoer.
In afwijking van artikel 30, § 2, derde lid, wordt de tweede vergunningskaart bevestigd aan de binnenkant van de voorruit, rechts bovenaan, en is ze leesbaar van buiten.

Onderafdeling 2. - De dienst en de ritten

Art. 47. Het voertuig mag alleen ter beschikking gesteld worden van een natuurlijke of rechtspersoon voor een ceremonie op basis van een schriftelijke overeenkomst waarvan het model is opgenomen in bijlage 9, die bij dit besluit is gevoegd, en waarvan een exemplaar zich op de zetel van de onderneming bevindt, en een kopie aan boord van het voertuig.
Het voertuig wordt op basis van de overeenkomst minstens drie uur aaneensluitend ter beschikking gesteld.
De klachtenkanalen worden vermeld in de overeenkomst.

Art. 48. § 1. Op elk verzoek van de bevoegde personeelsleden en agenten kan de bestuurder de overeenkomst, vermeld in artikel 47, voorleggen.

§ 2. De exploitant en de tussenpersoon bewaren gedurende zeven jaar de overeenkomsten, vermeld in artikel 47.
De gegevens worden voorgelegd op elk verzoek van de bevoegde personeelsleden en agenten.

Afdeling 4. - OV-taxi's

Art. 49. Enkel voertuigen die vergund zijn als straattaxi kunnen worden ingezet als OV-taxi.

Art. 50. Artikel 29 en 30 zijn van toepassing op OV-taxi's.
De minister of zijn gemachtigde kan, in afwijking van artikel 29, derde lid, uitzonderingen bepalen voor voertuigen die uitsluitend ingezet worden voor het vervoer van personen met verminderde mobiliteit.
Met behoud van de toepassing van artikel 30, § 2 tot en met § 5, van dit besluit, kan de Mobiliteitscentrale, vermeld in artikel 2, 9°, van het decreet van 29 maart 2019, aanvullende voorwaarden bepalen voor de herkenbaarheid van het voertuig.

HOOFDSTUK 4. - Klachtenbehandeling

Art. 51. Minstens de volgende personen behoren tot het klachtenorgaan, vermeld in artikel 29, § 1, van het decreet van 29 maart 2019:

1° een vertegenwoordiger van de Nationale Groepering van Ondernemingen met Taxi- en Locatievoertuigen met chauffeur;
2° een vertegenwoordiger van de tussenpersonen;
3° twee vertegenwoordigers van de gebruikers;
4° een vertegenwoordiger van de vergunningverlenende gemeenten;
5° een vertegenwoordiger van Overleg voor de Diensten Aangepast Vervoer;
6° een vertegenwoordiger van de vakbondsorganisaties die in het Sociaal Fonds Taxi en VVB vertegenwoordigd zijn.

De minister kan nadere regels bepalen voor de samenstelling van het klachtenorgaan.
De actoren, vermeld in het eerste lid, kiezen onder hun leden een voorzitter. De voorzitter wordt verkozen voor een periode van twee jaar.
De voorzitter leidt de vergaderingen van het klachtenorgaan. Als de voorzitter dat noodzakelijk acht, kan hij een vertegenwoordiging van andere actoren die betrokken zijn bij het individueel bezoldigd personenvervoer uitnodigen om deel te nemen aan het overleg.

Art. 52. Het klachtenorgaan legt haar werking vast in een huishoudelijk reglement.
Het klachtenorgaan organiseert het secretariaat en maakt de contactgegevens ervan ruim bekend.

Art. 53. Het klachtenorgaan brengt jaarlijks verslag uit aan de minister over de werkzaamheden van het afgelopen jaar.

HOOFDSTUK 5. - Gegevens

Art. 54. § 1. Het departement stelt de gegevensbank, vermeld in artikel 31 van het decreet van 29 maart 2019, ter beschikking.
De gegevensbank bevat alle gegevens, vermeld in artikel 31, § 1, van het decreet van 29 maart 2019, waaronder alle gegevens, vermeld in de bijlagen die bij dit besluit zijn gevoegd, en het aantal exploitanten op de wachtlijst om een machtiging voor een standplaats op de openbare weg te verkrijgen, met vermelding van het aantal gevraagde voertuigen.

§ 2. De gemeente vult de gegevens aan in de gegevensbank op het ogenblik dat de vergunning, de machtiging, de bestuurderspas, de vergunningskaarten, de vervangingskaarten of de tarievenkaarten worden verstrekt.

§ 3. De gegevens, vermeld in artikel 31, § 1, van het decreet van 29 maart 2019, zijn op volgende wijze toegankelijk:

1° voor de gemeenten:

a) het raadplegen van alle gegevens;
b) het bewerken van de vergunningen, de machtigingen en de bestuurderspassen die de gemeente zelf uitreikt;

2° voor de exploitanten: het raadplegen van de gegevens over hun vergunning en machtigingen en voertuigen, evenals het raadplegen van de gegevens van de bestuurders die zij in dienst hebben;

3° voor de politie: het raadplegen van alle gegevens;

4° voor het Departement Mobiliteit en Openbare Werken: het raadplegen van alle gegevens;

5° voor de overheidsdiensten die belast zijn met het administratieve beheer of de controle van de diensten voor individueel bezoldigd personenvervoer: het raadplegen van alle gegevens.

De toegang, vermeld in het eerste lid, blijft beperkt tot die gegevens die noodzakelijk zijn voor de toepassing van het decreet van 29 maart 2019 en dit besluit, rekening houdend met de rol die iedere toegangsgerechtigde vervult.

Art. 55. De tussenpersonen en de sector van het individueel bezoldigd personenvervoer bezorgen jaarlijks mobiliteits- en statistische gegevens aan het departement.
De minister bepaalt de invulling en de praktische regeling.

Art. 56. De lijst van de vergunde exploitanten en de vergunningsgegevens, vermeld in artikel 31, § 5, van het decreet van 29 maart 2019, wordt maandelijks bijgewerkt op de website van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken.

TITEL 3. - Strafbepalingen

Art. 57. De minister kan de personen, vermeld in artikel 34, § 1, van het decreet van 29 maart 2019, aanwijzen en hun kentekens bepalen.

Art. 58. De lijst van inbreuken op de bepalingen van het decreet van 29 maart 2019 of dit besluit, en de daaraan gekoppelde onmiddellijk te innen som, zijn vermeld in de tabel die is opgenomen in bijlage 10 die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 59. § 1. In geval van de onmiddellijke inning, vermeld in artikel 58, wordt gebruikgemaakt van genummerde formulieren, die samengevoegd zijn in genummerde boekjes en die overeenstemmen met het model dat de minister vaststelt.
Als tegelijkertijd meerdere inbreuken ten laste van eenzelfde persoon worden vastgesteld, worden die op eenzelfde formulier vermeld.
Het formulier, vermeld in het eerste lid, wordt vervangen door een proces-verbaal als de som niet is geïnd op het ogenblik dat de overtreding is vastgesteld.

§ 2. De som die wordt geïnd wordt altijd in euro uitgedrukt. De som kan op een van de volgende wijzen worden betaald:

1° betaling in geld:

a) de betaling in geld is alleen van toepassing op personen die geen woonplaats of vaste verblijfplaats in België hebben;
b) de som wordt betaald in euro met bankbiljetten en, in voorkomend geval, met munten van 1 of 2 euro;

2° betaling met bank- of kredietkaart: de betaling met een bank- of kredietkaart is van toepassing op personen die al dan niet een woonplaats of vaste verblijfplaats in België hebben;

3° betaling met overschrijving:

a) de betaling met overschrijving is alleen van toepassing op personen die een woonplaats of vaste verblijfplaats in België hebben;
b) een document met de betalingsgegevens wordt aan de persoon afgegeven of verzonden;
c) een betaling met overschrijving wordt uitgevoerd binnen tien dagen vanaf de dag waarop het document, vermeld in punt b), is afgegeven of verzonden. De datum van betaling door de bankinstelling dient als bewijs van de datum van betaling.

§ 3. Als de persoon geen woonplaats of vaste verblijfplaats in België heeft en de voorgestelde som niet onmiddellijk betaalt, is de per inbreuk in consignatie te geven som dezelfde als de te innen som.
In geval van consignatie van een som wordt gebruikgemaakt van genummerde formulieren die samengevoegd zijn in de genummerde boekjes, vermeld in paragraaf 1, eerste lid.

Art. 60. Alle documenten over de inning of de consignatie van een som worden gedurende vijf jaar bewaard in de kantoren waartoe de personen, vermeld in artikel 34, § 1, van het decreet van 29 maart 2019, behoort.

TITEL 4. - Slotbepalingen

Art. 61. Het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder, gewijzigd bij de besluiten van 28 mei 2004, 27 juni 2008, 30 april 2009, 18 december 2009 en 18 juni 2010, wordt opgeheven.

Art. 62. Artikel 19 tot en met 30 treden in werking op 1 juli 2020.

Art. 63. Artikel 32, § 3, tweede lid treedt in werking op 1 juli 2020.

Art. 64. De volgende regelgevende teksten treden in werking op 1 januari 2020:

1° het decreet van 29 maart 2019;
2° dit besluit.

Art. 65. De Vlaamse minister, bevoegd voor het mobiliteitsbeleid, de openbare werken en het vervoer, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 8 november 2019.

De minister-president van de Vlaamse Regering,
J. JAMBON
De Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken,
L. PEETERS

Top