GTL-TAXI
Nationale Groepering van Ondernemingen met Taxi- en Locatievoertuigen met chauffeur

Medisch onderzoek

 

Publicatie : 1998-09-09

MINISTERIE VAN VERKEERSWEZEN

 
23 MAART 1998. – Uittreksel uit het Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs

ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Art. 42. De kandidaat voor een rijbewijs geldig voor de categorie C, C+E, D of D+E of voor de subcategorie C1, C1+E, D1 of D1+E moet een onderzoek ondergaan dat vaststelt of hij voldoet aan de normen voorgeschreven in bijlage 6 voor de groep 2.
Het onderzoek wordt ondergaan overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 44.

Art. 43. Worden eveneens gehouden om het onderzoek bedoeld in artikel 42 te ondergaan, de houders, van een Belgisch of Europees rijbewijs geldig voor de categorie A, B of B+E of voor een gelijkwaardige categorie, wanneer ze beantwoorden aan de voorwaarden van artikel 3, § 1 en zij een voertuig bestemd voor een van de hierna genoemde vervoersdiensten besturen:

1° de diensten voor geregeld, bijzondere vormen van geregeld en ongeregeld vervoer, respectievelijk bedoeld in de artikelen 3, 11 en 14 van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocar;

2° de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur bedoeld in artikel 6, § 1, X, 8° van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980;

3° opgeheven (art. 4, b), KB 10-09-2010, BS 15-09-2010)

4° opgeheven (art. 2, KB 31-10-2008, BS 10-11-2008)

5° opgeheven (art. 2, KB 31-10-2008, BS 10-11-2008)

6° het vervoer van personen met ambulance, zoals bedoeld in artikel 1, § 2, 68, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.

7° het bezoldigde leerlingenvervoer.

De instructeurs van de rijscholen die het praktische onderricht voorgeschreven in artikel 15 verstrekken, zijn eveneens gehouden om het onderzoek bedoeld in artikel 42 te ondergaan.

Art. 44. 

§1. Het onderzoek bedoeld in artikel 42 wordt afgelegd voor een geneesheer van een medisch centrum van het Bestuur van de medische expertise. 

De aanvrager legt een verklaring voor waarin hij op zijn woord van eer bevestigt, bij zijn weten niet aangetast te zijn door een aandoening die het normaal besturen van een voertuig, zelfs tijdelijk, zou kunnen verhinderen of belemmeren en deelt het resultaat mee dat hij bekwam bij een eventueel vorig geneeskundig onderzoek. Het model van deze verklaring komt voor in bijlage 6, IX.

Hij legt bovendien het verslag voor van een oogarts waarvan het model bepaald is in bijlage 6, X.

§2. Als de geneesheer van het Bestuur van de medische expertise besluit tot de ongeschiktheid van de kandidaat of de beslissing laat afhangen van voorwaarden of beperkingen, kan deze laatste een beroep instellen bij dat Bestuur. Het beroep wordt ingeleid bij ter post aangetekende brief, binnen de tien werkdagen na de betekening van de beslissing. De verzoeker wijst in deze brief de geneesheer aan die hem tijdens de procedure zal bijstaan.

Het Bestuur van de medische expertise deelt zonder verwijl aan die geneesheer de medische gegevens mee die de beslissing hebben gemotiveerd.

Binnen de tien werkdagen, volgend op de mededeling van het dossier, kan de geneesheer aangewezen door de verzoeker :

1° hetzij zijn akkoord betuigen met de beslissing;

2° hetzij een tegensprekelijke raadpleging vragen met de geneesheer die de beslissing heeft genomen of, bij verhindering, met zijn plaatsvervanger;

3° hetzij een rapport neerleggen waarin de argumenten die de beslissing motiveerden, weerlegd worden.

In geval van akkoord tussen de onderzoekende geneesheer en deze die door de verzoeker werd gekozen, wordt de beslissing dienovereenkomstig gehandhaafd of gewijzigd.

Indien de twee geneesheren het onderling niet eens kunnen worden, wordt een arbitrageonderzoek gedaan door de hoofdgeneesheer van het Bestuur van de medische expertise of door zijn gemachtigde, die de verzoeker nog niet heeft onderzocht tijdens het geneeskundig onderzoek of de tegensprekelijke raadpleging. Bij het arbitrageonderzoek mag de verzoeker zich laten bijstaan door de door hem gekrijksdieozen geneesheer.

Na afloop van het arbitrageonderzoek is de beslissing daaromtrent definitief.

§3. De verzoeker betaalt voor elk onderzoek de retributie die vastgesteld wordt door de Minister tot wiens bevoegdheid het Bestuur van de medische expertise behoort alsook, in voorkomend geval, de honoraria en kosten van de geneesheer die hij gekozen heeft om hem bij te staan bij de beroepsprocedure.

§4. In afwijking van de bepalingen van §1, kan het onderzoek bedoeld in artikel 42 afgelegd worden voor :

1° een geneesheer van een erkende Arbeidsgeneeskundige Dienst. Wanneer de Arbeidsgeneesheer tot de ongeschiktheid van de kandidaat besluit of de beslissing laat afhangen van voorwaarden of beperkingen kan beroep ingesteld worden volgens de bepalingen betreffende de beslissingen van de Arbeidsgeneesheer voorgeschreven in het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming ;

2° een geneesheer van het «Office communautaire et Régional de la Formation professionnelle et de l’Emploi», van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, «Arbeidsamt der Deutschsprachigen Gemeinschaft» of van het «Institut bruxellois francophone pour la formation professionnelle»;

3° een geneesheer van de medische dienst van het leger;

4° een geneesheer van een centrum voor leerlingenbegeleiding;

5° een geneesheer van de medische dienst van de federale politie.

De aanvrager legt aan de onderzoekende geneesheer de verklaring voor, zoals voorgeschreven in §1, tweede lid.

§5. De in §§ 1 en 4 bedoelde geneesheer levert aan de aanvrager een attest af, overeenkomstig het in bijlage 6, XI voorgeschreven model.

Indien de geneesheer oordeelt dat de toelating tot sturen moet afhankelijk gesteld worden van de verplichting om bepaalde types van voertuigen of om een speciaal aangepast voertuig of om een voertuig uitgerust met een automatische schakeling te gebruiken of van bepaalde voorwaarden of beperkingen bij het gebruik van het rijbewijs, maakt hij daarvan melding op het attest uitgereikt aan de kandidaat, in de vorm van de codes, bepaald in bijlage 7.

Het attest is vijf jaar geldig. Het kan evenwel afgegeven worden voor een kortere geldigheidsduur overeenkomstig de bepalingen van bijlage 6.

Bijlage 6. Minimumnormen en attesten inzake de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorvoertuig

I. Deze bijlage beschrijft de functionele stoornissen en aandoeningen die de uitsluiting tot gevolg hebben en de geneeskundige normen waaraan de kandidaat voor een rijbewijs of een voorlopig rijbewijs en de houder van een rijbewijs, moeten voldoen.

1. Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder:

1° «kandidaat» : de persoon die een rijbewijs, een voorlopig rijbewijs aanvraagt, die om de verlenging van een rijbewijs verzoekt of de houder van een rijbewijs van wie de lichamelijke of geestelijke toestand niet meer in overeenstemming is met de in deze bijlage vermelde minimumnormen;

2° «kandidaat van groep 1» : de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor het besturen van voertuigen van de categorie AM, A1, A2, A, B, B+E of G;

3° «kandidaat van groep 2» : de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor het besturen van voertuigen van de categorie C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E en de bestuurders van voertuigen bedoeld in artikel 43 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;

2. Om rijgeschikt te worden verklaard, dient de kandidaat aan de in deze bijlage voorgeschreven minimumnormen te voldoen en vrij te zijn van elke in deze bijlage opgenomen lichamelijke of geestelijke aandoening of afwijking, die zijn functionele mogelijkheden zodanig beperkt dat hij een gevaar kan opleveren voor de veiligheid bij het besturen van een motorvoertuig.

3. De rijgeschiktheid wordt bepaald na een grondig geneeskundig onderzoek waarbij alle middelen, die de geneeskunde biedt, aangewend kunnen worden.

De geneesheer houdt bij de beoordeling rekening met de categorie waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd en de omstandigheden waarin dit laatste zal worden gebruikt. Voor de kandidaten van groep 2, dient hij speciaal rekening te houden met de bijzondere risico's en gevaren die verband houden met het besturen van voertuigen van deze categorieën en de mogelijke belemmering ervan door functiestoornissen of aandoeningen.

4. Bij de vaststelling van een behandeling of het voorschrijven van geneesmiddelen gaat de geneesheer na wat de invloed van de behandeling, van elk geneesmiddel afzonderlijk of van de combinatie met andere geneesmiddelen of alcohol op het rijgedrag is. De geneesheer licht zijn patiënt in over de mogelijke gevolgen voor zijn rijgedrag en wijst hem op zijn eventuele verplichtingen betreffende het gebruik van zijn rijbewijs.

II. Normen betreffende de fysieke en geestelijke geschiktheid

1. Neurologische aandoeningen

1.2. Normen voor de kandidaten van groep 2

De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard wanneer hij minstens een jaar vrij is van belangrijke neurologische afwijkingen. Een verslag van een neuroloog is vereist.

2. Geestelijke aandoeningen

2.2. Normen voor de kandidaten van groep 2

De kandidaat is in principe niet rijgeschikt. Uitzonderlijk kan de kandidaat op voorlegging van een gunstig erslag van een psychiater rijgeschikt worden verklaard.

3. Epilepsie

3.1. De kandidaat met epilepsie of die een epileptische aanval heeft gehad, ongeacht het al dan niet ondergaan hebben van curatieve cerebrale chirurgie, is niet rijgeschikt. Een persoon heeft epilepsie indien hij binnen een periode van vijf jaar twee of meerdere niet uitgelokte epileptische aanvallen heeft gehad. Na vijf jaar aanvalsvrijheid kan een nieuwe aanval beschouwd worden als een eerste aanval.

Een geneesheer gespecialiseerd in de neurologie of neuropsychiatrie bepaalt het specifieke epilepsie syndroom en het (de) aanvalstype(n), nodig om het risico op verdere aanvallen in te schatten. Bij andere oorzaken van bewustzijnsverlies of -daling houdt hij rekening met het risico op herhaling tijdens het rijden en met de andere desbetreffende criteria vermeld in deze bijlage. Hij formuleert het advies betreffende de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.

3.3. Normen voor de kandidaten van groep 2

3.3.1. De kandidaat die een éénmalige niet uitgelokte aanval van epilepsie heeft gehad en reeds vijf jaar geen aanvallen van welke vorm ook heeft vertoond kan rijgeschikt worden verklaard.

3.3.2. De kandidaat die ten gevolge van een aanwijsbare en vermijdbare oorzaak een eenmalige uitgelokte aanval van epilepsie heeft vertoond, kan na een aanvalsvrije periode van minstens een jaar rijgeschikt worden verklaard.Indien er prognostisch uitzonderlijk gunstige factoren zijn, kan de kandidaat rijgeschikt verklaard worden na een aanvalsvrije periode van minstens zes maanden.Indien de aanval optrad tengevolge van het gebruik of wegens de onthouding van het gebruik van alcohol en/of psychotrope stoffen dient men dit in de beoordeling te betrekken volgens de desbetreffende criteria bedoeld in punt IV. Normen betreffende het gebruik van alcohol, psychotrope stoffen en geneesmiddelen.

3.3.3. De kandidaat met epilepsie, ongeacht de vorm, kan rijgeschikt worden verklaard na een ononderbroken periode van ten minste tien jaar zonder aanvallen van welke vorm ook.Indien er prognostisch uitzonderlijk gunstige factoren zijn, kan de kandidaat met epilepsie rijgeschikt verklaard worden voor het besturen van een voertuig bedoeld in artikel 43 of van de categorie C1 na een ononderbroken periode van ten minste twee jaar zonder aanvallen van welke vorm ook.

3.3.4. De voorwaarden voor het afleveren van of voor de verlenging van de geldigheidsduur van het rijgeschiktheidsattest zijn dat de kandidaat aanvalsvrij is gebleven voor de vereiste periode en dit zonder anti-epileptische medicatie, onder regelmatig geneeskundig toezicht staat, voldoende inzicht heeft in de aandoening, het elektro-encefalogram geen epileptiforme afwijkingen vertoont, en de neurologische beeldvorming niet wijst op het bestaan van een epileptogene cerebrale pathologie. Een gunstig neurologisch verslag is steeds vereist. Dit verslag geeft aan dat er geen aanwijzingen zijn dat het risico op een nieuwe aanval, bewustzijnsverlies; of -daling tijdens het rijden groter is dan 2 % per jaar.

3.3.5. De geldigheidsduur van het rijgeschiktheidsattest is voor de eerste afgifte beperkt tot een jaar en kan gedurende de vijf volgende jaren telkens worden verlengd met maximaal een jaar.

Na deze periode is de geldigheidsduur voorgeschreven in artikel 44, § 5, van toepassing.

4. Pathologische somnolentie

4.2. Normen voor de kandidaten van groep 2

4.2.1. De kandidaat met pathologische somnolentie of bewustzijnsstoornissen ten gevolge van het narcolepsie/cataplexiesyndroom of het slaapapneusyndroom is niet rijgeschikt.

4.2.2. De kandidaat met een slaapapneusyndroom kan rijgeschikt worden verklaard een maand na het instellen van een succesvolle behandeling. Een gunstig verslag van een neuroloog is vereist.

De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar. Is de kandidaat na deze periode nog steeds vrij van de symptomen, dan is de geldigheidsduur voorgeschreven in artikel 44 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs van toepassing.

5. Locomotorische aandoeningen

5.1. De kandidaat die verminderde functionele vaardigheden vertoont ten gevolge van een aantasting van het muskulo-skeletaal systeem, een aandoening van het centraal of perifeer zenuwstelsel of elke andere aandoening waardoor een beperking ontstaat van zijn motorische controle, zijn waarnemingen of zijn gedrag en zijn beoordelingsvermogen, die een invloed hebben op het veilig besturen van een motorvoertuig, is niet rijgeschikt.

5.3. Normen voor de kandidaten van groep 2

De kandidaat wordt, nadat door de geneesheer bedoeld in artikel 44, §§ 1 en 4 vastgesteld werd dat op louter geneeskundige gronden de toestand van de kandidaat in overeenstemming is met de minimumnormen, verwezen naar het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs. De geneesheer van dit centrum zal op basis van de in punten 5.2.3. en 5.2.4. gestelde normen zijn besluiten opmaken en deze ter beschikking stellen van de verwijzende geneesheer.

6. Aandoeningen van hart en bloedvaten

6.2. Normen voor de kandidaten van groep 2

De kandidaat met klachten ten gevolge van chronisch hartfalen enkel bij gewone fysieke inspanning (NYHA klasse 2), cardiomyopathie, aangeboren gebrek van het hart of de grote vaten, aangeboren of verworven klepafwijking (al dan niet met een klepprothese), een ischemische hartziekte ten gevolge van een kransvatlijden, kan rijgeschikt worden verklaard. Een verslag van een cardioloog is vereist. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal drie jaar.

6.3. Ritme en geleiding

6.5.2. Normen voor de kandidaten van groep 2

6.5.2.1. De kandidaat met angina pectoris die optreedt bij rust, bij de minste emotie of andere relevante uitlokkende factor, is niet rijgeschikt. De rijgeschiktheid kan opnieuw geëvalueerd worden na het verdwijnen van de klachten van angina pectoris. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar. Een verslag van een cardioloog is vereist.

6.5.2.2. De kandidaat met belangrijke beschadiging van het myocard, duidelijk aangetoonde letsels van een vroeger myocardinfarct, duidelijk bewezen tekens van coronair lijden en hartfalen is niet rijgeschikt.

6.5.2.3. Indien het evenwel gaat om één of meer beperkte infarcten, met behoud van een goede hartfunctie en zonder ritmestoornissen, kan de houder van een rijbewijs van groep 2 rijgeschikt worden verklaard. De rijgeschiktheidsverklaring kan afgeleverd worden minimaal drie maand na het optreden van het laatste infarct. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal twee jaar. Een verslag van een cardioloog is vereist.

7. Diabetes mellitus

7.1. De kandidaat met diabetes mellitus is niet rijgeschikt.

De kandidaat met een verhoogd risico op een ernstige hypoglykemie of met een ernstige hypoglykemie, ongeacht het moment waarop ze is opgetreden, is niet rijgeschikt. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard door een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie.

De kandidaat met een verhoogd risico op een ernstige hyperglykemie of met een ernstige hyperglykemie, ongeacht het moment waarop ze is opgetreden, is niet rijgeschikt. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard door een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie.

De kandidaat met een recurrente hypoglykemie of de kandidaat die onvoldoende inzicht heeft in het risico op hypoglykemie die de rijgeschiktheid in gevaar brengt, is niet rijgeschikt. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard door een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie.

Onder ernstige hypoglykemie wordt verstaan een toestand van een te lage bloedsuikerspiegel waarbij een persoon behoefte heeft aan bijstand van een andere persoon om uit deze toestand te komen. Er is sprake van recurrente hypoglykemie bij een tweede aanval van ernstige hypoglykemie in een periode van twaalf maanden.

Onder ernstige hyperglykemie wordt verstaan een toestand van een te hoge bloedsuikerspiegel waarbij een persoon behoefte heeft aan bijstand van een andere persoon om uit deze toestand te komen. Er is sprake van recurrente hyperglykemie bij een tweede aanval van ernstige hyperglykemie in een periode van twaalf maanden.

7.2. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard, mits wordt voldaan aan de specifieke vereisten van de gewenste rijbewijscategorie.

7.3. De kandidaat met diabetes mellitus bij wie de aandoening gepaard gaat met ernstige verwikkelingen ter hoogte van de ogen, het zenuwstelsel, het hart of de bloedvaten, wordt doorverwezen naar de artsen gespecialiseerd in dit type aandoening om hun respectief advies in te winnen.

De kandidaat met locomotorische stoornissen die een invloed kunnen hebben op het veilig besturen van een motorvoertuig, wordt doorverwezen naar het in artikel 45 bedoelde centrum. De arts van het centrum wint de nodige adviezen in en bezorgt overeenkomstig de bepalingen van artikel 45 het attest of zijn conclusies aan de in artikel 44 bedoelde arts, rekening houdend met de vereiste voorwaarden, beperkingen en aanpassingen.

7.5. Normen voor de kandidaten van groep 2

7.5.1. De kandidaat met diabetes mellitus die wordt behandeld met een dieet of met (orale of inspuitbare) bloedsuikerverlagende medicatie die in een therapeutische dosis geen hypoglykemie kan veroorzaken, kan rijgeschikt worden verklaard.

Een gunstig verslag van de arts is vereist.

De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 3 jaar.

7.5.2. De kandidaat met diabetes mellitus die wordt behandeld met bloedsuikerverlagende medicatie die in een therapeutische dosis hypoglykemieaanvallen kan veroorzaken of wordt behandeld met insuline, kan rijgeschikt worden verklaard.

Een gunstig verslag van een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie is vereist. Het verslag bevat ook een voorstel over de eventuele voorwaarden en/of beperkingen.

De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 3 jaar.

7.5.3. De kandidaat met een recurrente hypoglykemie kan rijgeschikt worden verklaard ten minste 3 maanden na het optreden van de hypoglykemie die aanleiding gaf tot de status « recurrentie », met inachtneming van de in 7.5.4 bedoelde criteria.

Een gunstig verslag van een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie is vereist. Het verslag bevat ook een voorstel over de eventuele voorwaarden en/of beperkingen.

De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 3 jaar.

7.5.4. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard indien hij een stabiele diabetes heeft, voldoende inzicht heeft in zijn aandoening, het risico op hypoglykemie kent en de symptomen ervan herkent, blijk geeft van strikte therapietrouw, een diabeteseducatie heeft gevolgd en onder geregeld geneeskundig toezicht staat.

De kandidaat die medicatie gebruikt die een hypoglykemie kan veroorzaken, moet zijn toestand op afdoende wijze controleren door minstens tweemaal per dag en op voor het rijden relevante tijdstippen zijn bloedsuikerspiegel te meten en de nodige maatregelen te nemen.

De kandidaat die medicatie gebruikt die een hypoglykemie kan veroorzaken, moet altijd snelle suikers binnen handbereik hebben in het voertuig dat hij bestuurt.

7.5.5. Op verzoek van de in artikel 44 bedoelde arts verstrekt de behandelende arts hem alle bovenvermelde en andere relevante medische gegevens, alsook zijn advies omtrent de rijgeschiktheid van de kandidaat.

De keuringsarts bepaalt de rijgeschiktheid en indien nodig de voorwaarden.

8. Aandoeningen van het gehoor en vestibulair systeem

8.1. De kandidaat die een aandoening van het vestibulair stelsel heeft, die een plotselinge aanval van duizeligheid of een plotselinge evenwichtsstoornis kan veroorzaken is niet rijgeschikt.

8.2. De geneesheer, gekozen door de kandidaat van groep 1,verwijst de kandidaat naar een specialist Neus-, Keel- en Oorziekten voor het inwinnen van een advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.

8.3. Voor de kandidaat van groep 2 is een verslag van de specialist Neus-, Keel- en Oorziekten vereist.

8.4. De kandidaat van groep 1 of 2 met hypoaccusie of doofheid is rijgeschikt indien dit niet gepaard gaat met ernstige vestibulaire stoornissen.

III. Normen betreffende de visuele functies

1. Algemene bepalingen

1.1. De kandidaat van groep 1 bedoeld in artikel 41, § 3, en de kandidaat van groep 2, behalve als de in artikel 44, § 4, bepaalde geneesheer voor deze laatste de vereiste onderzoeken kan uitvoeren, wenden zich tot de oogarts van hun keuze, die, op het vlak van het visueel functioneren, de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan moet bepalen.

1.2. De beoordeling van de rijgeschiktheid houdt rekening met de diverse aspecten van het visueel functioneren die noodzakelijk zijn om een motorvoertuig in alle veiligheid te besturen. Er dient bijzondere aandacht te worden besteed aan de gezichtsscherpte, het gezichtsveld, het gezichtsvermogen in het schemerdonker, de licht- en contrastgevoeligheid, diplopie en andere visuele functies die essentieel zijn om een motorvoertuig in alle veiligheid te besturen.

1.3. De kandidaat met een stoornis in het visueel functioneren die het in alle veiligheid besturen van een motorvoertuig kan verhinderen, is niet rijgeschikt. De kandidaat van groep 1 met een beperking door een gestoorde contrastgevoeligheid kan rijgeschikt verklaard worden door de oogarts.

1.4. De kandidaat met een progressieve visuele functiestoornis is niet rijgeschikt. Indien deze stoornis het in alle veiligheid besturen van een motorvoertuig niet kan verhinderen, kan de kandidaat rijgeschikt verklaard worden door de oogarts. De geldigheidsduur van het attest is maximaal tien jaar.

1.5. Na een belangrijke verandering in het visueel functioneren, bijvoorbeeld na het ontstaan van diplopie of het functioneel monoculair worden, is de kandidaat niet rijgeschikt. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard door de oogarts indien de aandoening het in alle veiligheid besturen van een motorvoertuig niet verhindert.

2. Gezichtsscherpte

2.1. Indien de kandidaat verplicht is een optische correctie te dragen om de vereiste gezichtsscherpte te bereiken of om een visueel functioneren te garanderen zodanig dat de kandidaat in alle veiligheid een motorvoertuig kan besturen, wordt deze vermeld op het afgeleverde attest door de oogarts.

2.2. De correctie moet goed verdragen worden en mag geen aanleiding geven tot een stoornis in andere visuele functies.

2.4. Normen voor de kandidaten van groep 2

De kandidaat dient, zo nodig met een optische correctie, te beschikken over een gezichtsscherpte van ten minste 8/10 voor het beste oog en 1/10 voor het minder goede oog. Indien de waarden 8/10 en 1/10 worden bereikt met een optische correctie dient deze minimale gezichtsscherpte te zijn verkregen door brilglazen die niet sterker mogen zijn dan plus 8 dioptrieën, of door contactlenzen.

3. Het gezichtsveld

3.1. Het meten van het gezichtsveld gebeurt door middel van een perimeter. Indien de kandidaat verplicht is een optische correctie te dragen, gebeurt het meten van het gezichtsveld met deze optische correctie.

3.3. Normen voor de kandidaten van groep 2

3.3.1. Het horizontale binoculaire gezichtsveld dient minstens 160° te bedragen. Vanuit het centrum van dit gezichtsveld dient de amplitude minimaal 70° naar links en naar rechts, en minimaal 30° naar boven en onder te bedragen. De centrale 30° dienen vrij te zijn van enig absoluut defect.

3.3.2. De kandidaat die slechts één oog functioneel gebruikt is niet rijgeschikt.

4. Zicht bij schemerlicht

Om rijgeschikt te zijn moet de kandidaat na vijf minuten aanpassing aan de duisternis een gezichtsscherpte vertonen van 2/10, eventueel met een optische correctie.

De gezichtsscherpte wordt gemeten voor beide ogen samen aan de hand van een schaal van optotypen, zwarte letters op witte grond, belicht met één Lux, geplaatst op een afstand van vijf meter van de kandidaat.

Bij twijfel zal nader onderzoek met een adaptometer plaatsvinden. De maximaal toegestane afwijking bedraagt één logeenheid.

IV. Normen betreffende het gebruik van alcohol, psychotrope stoffen en geneesmiddelen

1. Psychotrope stoffen en geneesmiddelen

1.1. De geneesheer bepaalt de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.

1.2. De kandidaat die aan psychotrope stoffen verslaafd is of die stoffen overmatig gebruikt zonder daaraan verslaafd te zijn, is niet rijgeschikt.

1.3. De kandidaat die regelmatig, in welke vorm dan ook, psychotrope stoffen gebruikt die een nadelige invloed op de rijgeschiktheid kunnen hebben of die dusdanige hoeveelheden gebruikt dat het rijgedrag daardoor ongunstig wordt beïnvloed is niet rijgeschikt.

Hetzelfde geldt bij gebruik van alle andere geneesmiddelen of geneesmiddelencombinaties die de waarneming, de stemming, de aandacht, de psychomotoriek en het oordeelsvermogen ongunstig beïnvloeden.

1.4. De geneesheer gaat bij het voorschrijven van geneesmiddelen na welke de invloed is op het rijgedrag van elk geneesmiddel afzonderlijk, in combinatie met andere geneesmiddelen of in combinatie met alcohol. De geneesheer licht zijn patiënt in over de mogelijke gevolgen voor het rijgedrag.

1.5. De kandidaat die aan psychotrope stoffen verslaafd is geweest of er overmatig gebruik van heeft gemaakt, kan evenwel na een periode van bewezen onthouding van minstens zes maand rijgeschikt worden verklaard. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal drie jaar.

2. Alcohol

2.1. De geneesheer bepaalt de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.

2.2. De kandidaat die aan alcohol verslaafd is of zich niet kan onthouden van alcoholgebruik wanneer hij een motorvoertuig bestuurt, is niet rijgeschikt.

2.3. De kandidaat die aan alcohol verslaafd is geweest, kan evenwel na een periode van bewezen onthouding van minstens zes maand rijgeschikt worden verklaard. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal drie jaar.

V. Normen betreffende nier- en leveraandoeningen

2. Normen voor de kandidaten van groep 2

De kandidaat die aan een ernstige chronische nier- of leverinsufficiëntie lijdt kan rijgeschikt worden verklaard mits een regelmatig geneeskundig toezicht. Een verslag van een internist is vereist. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal een jaar.

VI. Implantaten

De kandidaat met een orgaantransplantatie of met een artificieel implantaat met een mogelijke weerslag op de rijgeschiktheid, kan evenwel rijgeschikt worden verklaard door de geneesheer van het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, mits een verslag van de behandelende geneesheer-specialist en een regelmatig geneeskundig toezicht.

fy;">2° II, 1.1.3. wordt vervangen als volgt :

« 1.1.3. De kandidaat wiens functionele, zintuiglijke, cognitieve of locomotorische vaardigheden zijn aangetast door een heelkundige ingreep wegens een intracraniële aandoening, of die een cerebro-vasculaire aandoening heeft gehad, kan ten vroegste zes maanden na het verschijnen van die functiestoornis rijgeschikt worden verklaard. De kandidaat met een tijdelijke doorbloedingsstoornis zonder functionele stoornissen kan door een neuroloog rijgeschikt verklaard worden. Deze bepaalt eveneens de geldigheidsduur. »;

3° II, 3.1.9. wordt aangevuld als volgt : « Enkel rijden overdag kan toegestaan worden. »;

4° in II, 3.2.3. worden de woorden « en onder regelmatig geneeskundig toezicht staat » tussen de woorden « neurologisch onderzoek heeft ondergaan » en de woorden « en zijn EEG » gevoegd;

5° in II, 6.1.3. worden de woorden « of verworven » tussen de woorden « een aangeboren » en de woorden « gebrek van het hart » gevoegd;

6° in II, 6.3.1.3 worden de woorden « twee jaar » vervangen door de woorden « drie jaar »;

7° II, 6.3.1.4 wordt vervangen als volgt :

« De kandidaat met een ingeplante automatische defibrillator is niet rijgeschikt.

De kandidaat kan evenwel na een periode van minstens zes maanden, te rekenen vanaf de inplanting, rijgeschikt worden bevonden op basis van een recent verslag, afgegeven door de cardioloog van het geneeskundige centrum dat de ingreep heeft uitgevoerd. Tijdens deze periode van zes maanden mag er geen stroomstoot geweest zijn die het hartritme kan aantasten.

Als alleen de defibrillator vervangen wordt, kan de kandidaat onmiddellijk rijgeschikt worden verklaard op basis van een door de behandelende cardioloog afgegeven recent verslag.

Om rijgeschikt te zijn mogen er zich geen stroomstoten hebben voorgedaan en dient de kandidaat het behandelingsplan van de cardioloog te volgen. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid kan maximaal twee jaar bedragen. »;

8° in II, 7.3.2. worden in de Franse tekst de woorden « que son diabète se soit stabilisé » vervangen door de woorden « qu'il ait un diabète stabilisé »;

9° III, 1.1. wordt vervangen als volgt :

« De kandidaat van groep 1 zowel als de kandidaat voor de groep 2, behalve als de in artikel 44, § 4, bepaalde geneesheer voor deze laatste de vereiste onderzoeken kan uitvoeren, wenden zich tot de oogarts van hun keuze, die, op gezichtsvlak, de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan moet bepalen. »;

10° de in VII, VIII en XI bepaalde attesten worden door de in bijlage 1 bij dit besluit bepaalde attesten vervangen.

Art. 27. Bijlage 7 bij hetzelfde besluit wordt vervangen door bijlage 2 bij dit besluit.

 Art. 30. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2002 met uitzondering van artikel 12 dat in werking treedt op 1 september' 2003 en van artikel 17 dat in werking treedt op 1 februari 2003.

Art. 31. Onze Minister van Werkgelegenheid, Onze Minister van Buitenlandse Zaken, Onze Minister van Mobiliteit en Vervoer, Onze Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Onze Minister van Landsverdediging en Onze Minister van Justitie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 5 september 2002.

ALBERT

fy;">2° II, 1.1.3. wordt vervangen als volgt :

« 1.1.3. De kandidaat wiens functionele, zintuiglijke, cognitieve of locomotorische vaardigheden zijn aangetast door een heelkundige ingreep wegens een intracraniële aandoening, of die een cerebro-vasculaire aandoening heeft gehad, kan ten vroegste zes maanden na het verschijnen van die functiestoornis rijgeschikt worden verklaard. De kandidaat met een tijdelijke doorbloedingsstoornis zonder functionele stoornissen kan door een neuroloog rijgeschikt verklaard worden. Deze bepaalt eveneens de geldigheidsduur. »;

3° II, 3.1.9. wordt aangevuld als volgt : « Enkel rijden overdag kan toegestaan worden. »;

4° in II, 3.2.3. worden de woorden « en onder regelmatig geneeskundig toezicht staat » tussen de woorden « neurologisch onderzoek heeft ondergaan » en de woorden « en zijn EEG » gevoegd;

5° in II, 6.1.3. worden de woorden « of verworven » tussen de woorden « een aangeboren » en de woorden « gebrek van het hart » gevoegd;

6° in II, 6.3.1.3 worden de woorden « twee jaar » vervangen door de woorden « drie jaar »;

7° II, 6.3.1.4 wordt vervangen als volgt :

« De kandidaat met een ingeplante automatische defibrillator is niet rijgeschikt.

De kandidaat kan evenwel na een periode van minstens zes maanden, te rekenen vanaf de inplanting, rijgeschikt worden bevonden op basis van een recent verslag, afgegeven door de cardioloog van het geneeskundige centrum dat de ingreep heeft uitgevoerd. Tijdens deze periode van zes maanden mag er geen stroomstoot geweest zijn die het hartritme kan aantasten.

Als alleen de defibrillator vervangen wordt, kan de kandidaat onmiddellijk rijgeschikt worden verklaard op basis van een door de behandelende cardioloog afgegeven recent verslag.

Om rijgeschikt te zijn mogen er zich geen stroomstoten hebben voorgedaan en dient de kandidaat het behandelingsplan van de cardioloog te volgen. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid kan maximaal twee jaar bedragen. »;

8° in II, 7.3.2. worden in de Franse tekst de woorden « que son diabète se soit stabilisé » vervangen door de woorden « qu'il ait un diabète stabilisé »;

9° III, 1.1. wordt vervangen als volgt :

« De kandidaat van groep 1 zowel als de kandidaat voor de groep 2, behalve als de in artikel 44, § 4, bepaalde geneesheer voor deze laatste de vereiste onderzoeken kan uitvoeren, wenden zich tot de oogarts van hun keuze, die, op gezichtsvlak, de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan moet bepalen. »;

10° de in VII, VIII en XI bepaalde attesten worden door de in bijlage 1 bij dit besluit bepaalde attesten vervangen.

Art. 27. Bijlage 7 bij hetzelfde besluit wordt vervangen door bijlage 2 bij dit besluit.

 Art. 30. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2002 met uitzondering van artikel 12 dat in werking treedt op 1 september' 2003 en van artikel 17 dat in werking treedt op 1 februari 2003.

Art. 31. Onze Minister van Werkgelegenheid, Onze Minister van Buitenlandse Zaken, Onze Minister van Mobiliteit en Vervoer, Onze Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Onze Minister van Landsverdediging en Onze Minister van Justitie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 5 september 2002.

ALBERT

fy;">2° II, 1.1.3. wordt vervangen als volgt :

« 1.1.3. De kandidaat wiens functionele, zintuiglijke, cognitieve of locomotorische vaardigheden zijn aangetast door een heelkundige ingreep wegens een intracraniële aandoening, of die een cerebro-vasculaire aandoening heeft gehad, kan ten vroegste zes maanden na het verschijnen van die functiestoornis rijgeschikt worden verklaard. De kandidaat met een tijdelijke doorbloedingsstoornis zonder functionele stoornissen kan door een neuroloog rijgeschikt verklaard worden. Deze bepaalt eveneens de geldigheidsduur. »;

3° II, 3.1.9. wordt aangevuld als volgt : « Enkel rijden overdag kan toegestaan worden. »;

4° in II, 3.2.3. worden de woorden « en onder regelmatig geneeskundig toezicht staat » tussen de woorden « neurologisch onderzoek heeft ondergaan » en de woorden « en zijn EEG » gevoegd;

5° in II, 6.1.3. worden de woorden « of verworven » tussen de woorden « een aangeboren » en de woorden « gebrek van het hart » gevoegd;

6° in II, 6.3.1.3 worden de woorden « twee jaar » vervangen door de woorden « drie jaar »;

7° II, 6.3.1.4 wordt vervangen als volgt :

« De kandidaat met een ingeplante automatische defibrillator is niet rijgeschikt.

De kandidaat kan evenwel na een periode van minstens zes maanden, te rekenen vanaf de inplanting, rijgeschikt worden bevonden op basis van een recent verslag, afgegeven door de cardioloog van het geneeskundige centrum dat de ingreep heeft uitgevoerd. Tijdens deze periode van zes maanden mag er geen stroomstoot geweest zijn die het hartritme kan aantasten.

Als alleen de defibrillator vervangen wordt, kan de kandidaat onmiddellijk rijgeschikt worden verklaard op basis van een door de behandelende cardioloog afgegeven recent verslag.

Om rijgeschikt te zijn mogen er zich geen stroomstoten hebben voorgedaan en dient de kandidaat het behandelingsplan van de cardioloog te volgen. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid kan maximaal twee jaar bedragen. »;

8° in II, 7.3.2. worden in de Franse tekst de woorden « que son diabète se soit stabilisé » vervangen door de woorden « qu'il ait un diabète stabilisé »;

9° III, 1.1. wordt vervangen als volgt :

« De kandidaat van groep 1 zowel als de kandidaat voor de groep 2, behalve als de in artikel 44, § 4, bepaalde geneesheer voor deze laatste de vereiste onderzoeken kan uitvoeren, wenden zich tot de oogarts van hun keuze, die, op gezichtsvlak, de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan moet bepalen. »;

10° de in VII, VIII en XI bepaalde attesten worden door de in bijlage 1 bij dit besluit bepaalde attesten vervangen.

Art. 27. Bijlage 7 bij hetzelfde besluit wordt vervangen door bijlage 2 bij dit besluit.

 Art. 30. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2002 met uitzondering van artikel 12 dat in werking treedt op 1 september' 2003 en van artikel 17 dat in werking treedt op 1 februari 2003.

Art. 31. Onze Minister van Werkgelegenheid, Onze Minister van Buitenlandse Zaken, Onze Minister van Mobiliteit en Vervoer, Onze Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Onze Minister van Landsverdediging en Onze Minister van Justitie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 5 september 2002.

ALBERT

fy;">2° II, 1.1.3. wordt vervangen als volgt :

« 1.1.3. De kandidaat wiens functionele, zintuiglijke, cognitieve of locomotorische vaardigheden zijn aangetast door een heelkundige ingreep wegens een intracraniële aandoening, of die een cerebro-vasculaire aandoening heeft gehad, kan ten vroegste zes maanden na het verschijnen van die functiestoornis rijgeschikt worden verklaard. De kandidaat met een tijdelijke doorbloedingsstoornis zonder functionele stoornissen kan door een neuroloog rijgeschikt verklaard worden. Deze bepaalt eveneens de geldigheidsduur. »;

3° II, 3.1.9. wordt aangevuld als volgt : « Enkel rijden overdag kan toegestaan worden. »;

4° in II, 3.2.3. worden de woorden « en onder regelmatig geneeskundig toezicht staat » tussen de woorden « neurologisch onderzoek heeft ondergaan » en de woorden « en zijn EEG » gevoegd;

5° in II, 6.1.3. worden de woorden « of verworven » tussen de woorden « een aangeboren » en de woorden « gebrek van het hart » gevoegd;

6° in II, 6.3.1.3 worden de woorden « twee jaar » vervangen door de woorden « drie jaar »;

7° II, 6.3.1.4 wordt vervangen als volgt :

« De kandidaat met een ingeplante automatische defibrillator is niet rijgeschikt.

De kandidaat kan evenwel na een periode van minstens zes maanden, te rekenen vanaf de inplanting, rijgeschikt worden bevonden op basis van een recent verslag, afgegeven door de cardioloog van het geneeskundige centrum dat de ingreep heeft uitgevoerd. Tijdens deze periode van zes maanden mag er geen stroomstoot geweest zijn die het hartritme kan aantasten.

Als alleen de defibrillator vervangen wordt, kan de kandidaat onmiddellijk rijgeschikt worden verklaard op basis van een door de behandelende cardioloog afgegeven recent verslag.

Om rijgeschikt te zijn mogen er zich geen stroomstoten hebben voorgedaan en dient de kandidaat het behandelingsplan van de cardioloog te volgen. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid kan maximaal twee jaar bedragen. »;

8° in II, 7.3.2. worden in de Franse tekst de woorden « que son diabète se soit stabilisé » vervangen door de woorden « qu'il ait un diabète stabilisé »;

9° III, 1.1. wordt vervangen als volgt :

« De kandidaat van groep 1 zowel als de kandidaat voor de groep 2, behalve als de in artikel 44, § 4, bepaalde geneesheer voor deze laatste de vereiste onderzoeken kan uitvoeren, wenden zich tot de oogarts van hun keuze, die, op gezichtsvlak, de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan moet bepalen. »;

10° de in VII, VIII en XI bepaalde attesten worden door de in bijlage 1 bij dit besluit bepaalde attesten vervangen.

Art. 27. Bijlage 7 bij hetzelfde besluit wordt vervangen door bijlage 2 bij dit besluit.

 Art. 30. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2002 met uitzondering van artikel 12 dat in werking treedt op 1 september' 2003 en van artikel 17 dat in werking treedt op 1 februari 2003.

Art. 31. Onze Minister van Werkgelegenheid, Onze Minister van Buitenlandse Zaken, Onze Minister van Mobiliteit en Vervoer, Onze Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Onze Minister van Landsverdediging en Onze Minister van Justitie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 5 september 2002.

ALBERT

Top